Volgens de Occupy ‘beweging’ en Haarlem is er een vete tussen mij en die beweging. Ik zou haatzaaien en opruien. Ik zou leugens de wereld in helpen. Zowel persoonlijk als via politieke media. Ik zou het gevaar uitlokken en omdat ik de occupiers betitel als kampeerders en niet-werkende uitkeringstrekkers zouden hordes VVD-jongeren ‘s nachts onrust komen stoken. Ik zou mensenrechten aan mijn laars lappen. En ik zou de discussie uit de weg gaan. Verantwoording en excuses worden geeist. Ik doe zomaar een greep uit de berichten die ik de afgelopen dagen mocht ontvangen. De scheldwoorden, gestelde eisen en ultimatums laat ik maar even achterwege.
Wat ik nou zelf eigenlijk wel grappig vind, is dat die hele occupy-beweging me nagenoeg niet interesseert en de individuele occupiers in Haarlem al helemaal niet. Wat kan mij het schelen of ze werken of een uitkering hebben? Iedereen mag denken en zeggen wat hij of zij wil. Zolang het maar binnen de bandbreedte blijft die we als democratische samenleving hebben bepaald. En dan komen we op het punt waar het mij vanaf het begin van Occupy in Haarlem om gaat. De bandbreedte van het begrip ‘demonstratie’. En dat is niet een discussie tussen mij en Occupy, maar een discussie tussen mij en de Burgemeester. Want het is de Burgemeester die het nieuwe fenomeen van de inrichting van een tentenkamp op openbaar terrein door een protestorganisatie heeft aanvaard als demonstratie. Dat is zijn goed recht, maar het zou nadrukkelijk niet mijn keuze zijn geweest. Het heeft immers nogal wat consequenties, met name op het gebied van de veiligheid. Ook de veiligheid van degene die de actie voeren. En dat betekent dat inzet van politie nodig is. Maar wacht even, kan die dat aan en heeft die daar allemaal tijd voor? En omdat het mijn taak als raadslid is om het college te controleren ben ik daar naar de Burgemeester, die uiteindelijk niets anders meer kon doen dan kiezen voor het ‘theedrinkmodel’ uiterst kritisch over geweest. Dat de Occupiers me dat niet in dank afnemen, begrijp ik maar al te goed. Zij werden immers op hun wenken bediend door de Burgemeester om hem vervolgens te verwijten dat hij niet voldoende doet voor hun veiligheid. En dan komen we op het enige punt waar de Occupiers en ik met elkaar te maken hebben en dan blijkt ook nog dat we daarover helemaal niet van mening verschillen. Immers, als je een demonstratie toestaat moet je er ook voor zorgen dat demonstranten beschermd worden tegen (hier stond per ongeluk ‘door’) mensen die het niet met hen eens zijn. En omdat je dat bij deze vorm van protest als overheid volgens mij nou eenmaal niet kan doen zonder bovenmatige en kostbare inzet van de politie was en ben ik van mening dat het hele kampement nooit als demonstratie had mogen worden aangemerkt. En dat heeft niets te maken met de vraag of dat wat de Occupiers te melden hebben mij wel of niet aanstaat. En dat wil ik ook best aan de Occupiers zelf uitleggen, maar een uitnodiging voor een gesprek heeft mij nooit bereikt en de hand die ik afgelopen donderdag uitstak is vooralsnog niet aangenomen. En dat is jammer.
De Occupiers en hun sympathisanten lijken vooral gepreoccupeerd met de VVD als de belichaming van het kwaad dat zij nou juist willen bestrijden, mijn persoonlijk leven en hun mening over de manier waarop ik mijn werk als raadslid doe. En ook dat is ieders goed recht, maar vergoelijkt niet het disrespect en de intimidaties waar ik de afgelopen dagen aan ben blootgesteld. Want die bevinden zich op het randje van wat we in dit land toelaatbaar achten als het gaat om gedrag tegen politici. Maar kennelijk wordt ook daar de grens opgezocht. Er werd gevraagd om verantwoording en excuses. Die verantwoording heb ik nu gegeven.